Het Museum

Het verleden wordt heden

 

De geur van terpentijn, lijnlie, stopverf en plamuur

Het Schildersmuseum is gevestigd in het Buitenmuseum van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. De collectie van het Schildersmuseum is ondergebracht in een schilderswinkel en in een voormalig decoratie-atelier. De overige niet tentoongestelde voorwerpen zijn gedocumenteerd en worden bewaard in het depot van het Zuiderzeemuseum in Hoogwoud. Ook beschikt het Schildersmuseum over een uitgebreide collectie van historische vakboeken die ondergebracht zijn bij Nimeto te Utrecht.

De schilderswinkel

De schilderswinkel op het buitenterrein van het Zuiderzeemuseum.

Omstreeks 1870 werd door Reindert Jonkman, die werkzaam was in het schildersbedrijf van zijn vader, een houten schilderswinkel gebouwd op een binnenplaats tussen de Torenstraat en de Westerstraat te Enkhuizen.
In 1973 moest de schilderswinkel plaats maken voor nieuwbouw. Het pandje is toen overgebracht naar het buitenmuseum. In grote segmenten is de schilderswinkel vervoerd naar de huidige plaats, en daar in de oorspronkelijke staat opgebouwd.

De schilderswinkel

De werkplaats, in vroegere tijden wel “winkel” genoemd, was vanouds de plaats voor de ambachtsman waar hij in een vertrouwde omgeving, omringd door zijn materialen en gereedschappen, zijn werkzaamheden regelde. De Stichting Schildersmuseum heeft onder leiding van Cees van Groeningen, meester-schilder N.S.S., initiatiefnemer en van 1971 tot 2002 voorzitter, de inrichting van de winkel voor haar rekening genomen. De schappen, werkbanken, tafels, lessenaar en pigmentkast komen van de firma P.Goudappel uit Delft. Deze firma bestond in 1979 100 jaar en schonk toen haar complete inventaris aan de Stichting Schildersmuseum.

De expositieruimte

Decoratieatelier

Het Decoratelier: Oorspronkelijk een atelier voor decorstukken en toneeldoeken, nu expositie ruimte van het museum.

De expositieruimte is oorspronkelijk een atelier voor decorstukken en toneeldoeken. Dit pand komt uit de Haarlemmer Houttuinen nr. 50 te Amsterdam. In de top van het gebouw lezen we “Vlaggen, Wapens, Toneeldecors, Illumineerballons -1887-1901- J.G.Haanraadts”. In deze ruimte is een expositie te zien over de geschiedenis van het schildersvak.

Gevelbord van een voormalige verffabrikant

Gevelbord van een voormalige verffabrikant.

Pigmenten en verven

Vroeger maakten schilders altijd hun eigen verf. In de 15de eeuw werden de verven grof aangeslagen (pigment gemengd met olie) en zo gebruikt. Pas later is men gaan wrijven en malen. Omstreeks 1800 werd de verf gewreven in een stenen molen; deze molen had twee gebilde stenen. De bovenste steen werd door middel van een stok rondgedraaid. Rond 1850 kwamen de eerste ijzeren potmolens in gebruik. Rond 1900 werden de verven nog door de schilder zelf, vooral in de wintermaanden gemaakt. Soms verkocht hij zijn producten van een eigen samenstelling aan andere schildersbedrijven. Dit is het begin geweest van de handel in- en fabricage van verfproducten.


Het wrijven van de verf op steen.

Het wrijven van verf gebeurde op verschillende soorten steen. Lijnolie en het gewenste pigment werden gemengd en dan op een steen met een zogenaamde loper fijngewreven. Blauwe, groene en zwarte verven werden op een hardblauwe steen gewreven, terwijl een witte marmersteen geschikt was voor witte en licht gekleurde verven. Kleine hoeveelheden van deze pigmenten werden bewaard in een kast met grote en kleine laden, de pigmentkast. Grote hoeveelheden werden geleverd in houten tonnen, dit waren hoofdzakelijk de aardverven.

IJzeren potmolen

IJzeren potmolen waarmee de schilder zijn verf maakte.

Apparatuur en hulpmiddelen

Behalve met het bereiden en verwerken van verf, is de schilder ook altijd bezig geweest met het glad en strak maken van de ondergrond. Ook het verwijderen van oude verflagen hoorde daarbij. Voor het schuren gebruikte men verschillende “natuurlijke” hulpmiddelen als puimsteen en haaienvel. Het ruwe vel van de haai was bijzonder geschikt voor het opruwen van de ondergrond. De uitdrukking “afhaaien”, die door oudere schilders werd gebruikt is hiervan afkomstig. Het verwijderen van oude verflagen werd ook vroeger al gedaan door de verflaag “af te branden”. Een korf gevuld met brandende stof werd tegen het houtwerk aangedrukt; hierdoor ontstonden blaren in de oude verflaag. Deze eerste afbrandapparaten werden dan ook “blarentrekkers” genoemd.

Haaienvel

Haaienvel gebruikt voor het schuren.

Grof- en fijnschilders

Deze uitdrukking is bekend uit de gildetijd evenals “Ververs of schilders met de grote kwast”. Behalve met het huisschilderwerk hebben de schilders zich ook beziggehouden met het reclame- en decoratieschilderen. Vooral het zogenaamde houten en marmeren heeft rond 1870 een grote vlucht genomen. Schilder Goudappel uit Delft maakte een compleet stalenboek om zijn klanten een keuze te laten maken.

De Nederlandse Schilders bond (opgericht in 1880) organiseerde onder haar leden een prijsvraag met een opschrift van verschillende lettertypes. Later sinds 1946 organiseert de Studieclub Schilders tot heden jaarlijks vakwedstrijden voor vakgenoten.

In de schilderswinkel wordt in de zomermaanden elke zaterdag een demonstratie gegeven van deze oude technieken door een groep vrijwilligers, die opgeleid zijn o.a. op Nimeto te Utrecht.

Letterbord met diverse lettertypen.

Letterbord met diverse lettertypen.

Speciale technieken

In 2020 is de expositieruimte geheel vernieuwd en aangepast aan de huidige eisen van museumbezoekers. De schilder van toen wordt er nu voorgesteld als alleskunner. Hij beheerste o.a. de volgende technieken:

  • Het maken van verf
  • Het uitvoeren van hout- en marmerimitaties
  • Het uitvoeren van versieringen met behulp van o.a. sjablonen
  • Het aanbrengen van biezen
  • Het aanbrengen van reclames en letters
  • Het vergulden
  • Het plaatsen van glas
  • Het maken van glas in loodramen en het glasschilderen en branden
Glas in lood ramen.

Glas in lood ramen.

Al deze technieken kun je terugvinden in de Expositieruimte. Met een zoekopdracht kunnen ook toepassingen van deze technieken elders op het buitenmuseum worden opgezocht.

De opleiding

Na de definitieve opheffing van de gilden in 1818 is de opleiding in het slop geraakt. De regentenregering had geen belangstelling voor de gewone man. In 1840 startten de eerste (avond) tekenscholen. De eerste schildersopleiding aan de ambachtsschool werd gesticht in Amsterdam (1878) door de werknemersorganisatie Concordia Inter Nos.

Schildersdiploma

Getuigschrift van de ambachtstekenschool.

In 1922 werd door de bond van Nederlandsche Schilderspatroons in Utrecht de Nationale Schildersschool geopend. Leerlingen in het bezit van een gezeldiploma konden in drie winterseizoenen opgeleid worden tot Meester-Schilder.

Gevelbordje voor gediplomeerde meesters van de NSS.

Gevelbordje voor gediplomeerde meesters van de NSS.

Naast deze dagopleiding kenden we het leerlingwezen waarbij leerlingen opgeleid werden in de beroepspraktijk en aanvullend beroepsbegeleidend onderwijs kregen in de avonduren.

Lonen en prijzen

De winkel is op een speciale manier ingericht. Bij binnenkomst staat direct bij de deur de lessenaar, waar de patroon zijn administratie bijhield en bewaarde. Aan de lessenaar werd aan het eind van de week het loon uitbetaald; eerst de oudste “knecht” en zo vervolgens naar het jongmaatje.

Rond 1850 werd er zes dagen per week gewerkt; men maakte dagen van 10 tot 12 uur. Een volwassen schilder verdiende gemiddeld 70 cent per dag en het jongmaatje 25 cent.

Ondanks de opkomst van de verffabrikanten maakten de schilders tot in het begin van de 20ste eeuw zelf stopverf. In een bak in de winkel werd krijt gemengd met lijnolie gekneed tot een stevige massa. Na enige dagen “uitzweten” werd de massa weer opgewerkt met krijt en werd wat droogmiddel toegevoegd.

In het verkoopboek van Herfst en Helder uit 1878 lezen we:

  • Gemalen krijt 20 kg. 60 cent.
  • Rauwe lijnolie fl. 7,80,
  • 0.5 pond stopverf 10 cent.
Administratieboek van de oude schilderswinkel

Op de lessenaar in de schilderswinkel lag het kasboek waarin de werkzaamheden werden bijgehouden.